Grenzeloze solidariteit

Piet van der Lende (Bijstandbond Amsterdam)
Ed Hollants (Autonoom Centrum)
Jan Müter (Bureau Zwart?Werk)

‘Grenzeloze solidariteit’ luidt de titel van een boek dat in het weekeinde van 9 tot 11 januari j.l., in de Balie werd gepresenteerd. Het boek, dat bijdragen van verschillende auteurs bevat is samengesteld door Jelle van de Meer (hoofdredacteur Helling/Groenlinks en programmamaker bij de Balie) en Han Entzinger (hoogleraar migratie).

In het voorliggende weekeinde, zaterdag 3 januari, mocht Jelle van de Meer in het Volkskrant katern Reflex al een tipje van de sluier oplichten. Zijn verhandeling over het spanningsveld tussen een ruimhartig toelatingsbeleid van migranten en de verzorgingsstaat kreeg de welluidende kop ‘kom, maar op eigen kosten’.

In het boek wordt door verschillende schrijvers geprobeerd een antwoord te geven hoe een verzorgingsstaat vorm te geven in een wereld met vervagende landsgrenzen en toenemende migratie. Er staan lezenswaardige artikelen in het boek die op onderdelen een breuk bepleiten met het huidige beleid. Probleem is wel dat zaken als het mondiale kapitalisme en de privatisering niet of nauwelijks worden geproblematiseerd. Dit is vreemd omdat die zaken nu juist veel meer bepalen in hoeverre voorzieningen open blijven en betaalbaar zijn dan migratie. Ook de migratie zelf is voor een belangrijk deel een gevolg van het mondiale kapitalisme en het neo-liberale beleid dat door veel landen en internationale instituties gevoerd wordt.

Aan de ene kant wordt door de auteurs de mondialisering op vele terreinen erkent maar aan de andere kant wordt dan toch de Nederlandse welvaartsstaat als een eilandje eruit gelicht. Opmerkelijk genoeg werd door de meeste sprekers, waaronder auteurs, in de Balie ruiterlijk erkend dat de migratie voor dat bestel geen enkel probleem oplevert. Ook werd herhaaldelijk het verband tussen migratie en de neergang of betaalbaarheid van de verzorgingsstaat ontkend of sterk gerelativeerd. De ondertitel van het boek ‘Naar een migratiebestendige verzorgingsstaat’ voedt evenwel een ander vermoeden.


De boodschap luidt dan ook dat de combinatie van een verzorgingsstaat met een flinke inkomensherverdeling en een ruimhartige toelating van migranten onhoudbaar is. Dat brengt hen tot de vraag: ‘of we iemand moeten dwingen arm te blijven in eigen land, of hier ongelijk behandelen’, aldus Van der Meer.


En die vraag stellen is haar ook positief beantwoorden. En daarmee lijken zij het gelijkheidsideaal van de sociaaldemocratie te offeren op het altaar van de realistische mogelijkheden binnen een neoliberaal bestel. Daarmee doen zij onwillekeurig denken aan andere bijdragen aan het zogeheten ‘integratiedebat’ van Scheffer, Fortuyn en Hirsch Ali. Zeker als we ons realiseren dat zij daarmee pleiten voor een tweederangs burgerschap, gekoppeld aan het idee om als Nederlandse samenleving blijmoedig de vruchten te kunnen blijven plukken van de niet aflatende inzet en ijver van migranten die hier een graantje van ‘onze welvaart’ willen meepikken – en om verschoond te blijven van al te knellende sociale of morele verplichtingen jegens hen.


De rethoriek van deze insteek is duidelijk. Open grenzen genereren een vloedgolf van migranten die het liefst op ‘onze’ kosten met hun kont op het strand komen genieten van een onverdiende doch welkome bijstanduitkering. Daarmee zetten zij echter de lezer op verschillende manieren op een fout spoor. Waar de auteurs zich lijken neer te leggen bij de beperkte reguleerbaarheid van internationale migratiebewegingen, daar brengen zij een vals en ongefundeerd beeld in als zou een groot aantal migranten de tassen reeds gepakt hebben voor het moment dat hier de grenzen open gaan, om hier vervolgens een economisch in-actief bestaan te gaan leiden. Even mal is de suggestie dat het beeld van de huidige relatieve oververtegenwoordiging van voormalig gastarbeiders in de bijstand ook het beeld van de toekomst met opener grenzen zal zijn.


De ervaring van en binnen Europa leert dat opener grenzen burgers nauwelijks tot (meer) migratie beweegt, ook al is het levenspeil en is het niveau van de verzorgingsstaten binnen Europa zeer verschillend. Eerder het omgekeerde lijkt het geval. Ook de CPB-ramingen van de gevolgen van de uitbreiding van de EU voor de migratie zijn weinig zorgwekkend.


Politici, wetenschappers en journalisten zijn, zoals Bas van Stokkom terecht in de Volkskrant van zaterdag 10 januari j.l. beweerd, niet alleen bevangen door een morele paniek over de multiculturele samenleving, ze hangen ook in grote getale aan een idéfix van een (te) royale verzorgingsstaat en de onbetaalbaarheid daarvan.

Al bijna tien jaar geleden bepleite Coen Teulings (inmiddels hoogleraar Tinbergen leerstoel) een zelfde idee als Van der Meer en Entzinger nu doen. Met een redenering als uit de speltheorie stelde Teulings kort en goed dat het sociale zekerheidsstelsel eenvoudig onhoudbaar is als de groep van ontvangers niet heel nauwkeurig wordt bepaald. Ook opperde hij de instelling van een apart (dus lager) CAO-regime voor (legaal verblijvende) migranten omdat, volgens neoklassieke economische noties van efficiency en evenwicht, dat beter aansluit bij hun gemiddeld genomen lagere productiviteit.

Al sinds het akkoord van Wassenaar in 1982 wordt bij elke volgende neerwaartse economische conjunctuur de uitkeringen verlaagd en de toegang ertoe bemoeilijkt. Met betaalbaarheid van het stelsel heeft dat allemaal weinig te maken. Immers al die tijd nam de welvaart in ons land, uitgedrukt in het nationaal product toe. Het punt is dus dat in die zelfde periode de verdeling van de welvaart in ons land bij minder mensen terecht komt, en dat de gevolgen daarvan nu als een soort natuurverschijnsel wordt voorgehouden. Wat in dit verband nog te denken van de drastisch afnemende inkomsten uit de vennootschapsbelasting. Dat ‘virus’ woekert in grote delen van de wereld en maakt overheden, onderling in concurrentie om het internationale bedrijfsleven naar de zin te maken, in toenemende mate onmachtig om een publieke infrastructuur te scheppen of in stand te houden, of tot inkomensherverdeling te komen. Om nog maar te zwijgen over een sociaal adekwate verdeling van de héle welvaart – door dus ook de inkomsten uit (kapitaal) bezit in die herverdeling te betrekken.


De reactie van Van der Meer c.s. stelt in dit verband ook teleur waar zij het (internationale) krachtenveld van de neoliberale globaliserende economie als een gegeven lijken te aanvaarden en tot vertrek – en uitgangspunt maakt van hun betoog. Wat dat aan gaat lijken de oproepen vanuit de anders globaliseringsbeweging geheel onopgemerkt te zijn gebleven. Gevangen in een bestel waarin de neoklassieke economische doctrine tot een wereldreligie aan het ontwikkelen is rest hen alleen nog maar een pragmatische knieval voor de wetten van de markt, met zijn geïsoleerde geïndividualiseerde calculerende burgers die zich gedragen als egoïstische nutsmaximaliseerders. Daarin wreekt zich ons inziens het ontbreken van een alternatief mensbeeld, een visie op een andere orde, en de lef om met de huidige orde te willen breken.


Slechts via ongenuanceerd overdrijven haalt Jelle van der Meer zijn gelijk waar hij in de volkskrant van 3 januari stelt dat zonder grenzen geen democratie en geen rechtstaat mogelijk zijn. Het is zeker zo dat dat soort behartenswaardige instituties moeilijk houdbaar zijn bij volledig vluchtig en wisselende bevolkingssamenstelling. Maar de suggestie dat ook de huidige ‘instroom’ van migranten, inclusief het aantal van ‘ongenode migranten’, ook op enige manier de grenzen van dit stelsel ondergraven is te gek voor woorden.


In dat verband mogen we ook niet voorbij gaan aan de onzinnige vraagstelling, als zou via migratie de verdeling van welvaart in de wereld minder ongelijk gemaakt kunnen worden, ja zelfs als een middel tot armoedebestrijding kan worden geafficheerd. De ongelijke economische ontwikkeling en het bestaan van extreme armoede op de wereld zijn een hard gegeven en vormen in zichzelf een moreel-politiek schandaal van eerste orde. Het voortduren van dat schandaal zal de migratiedruk niet kleiner maken.


De stelling dat ook nu al sprake is van ongelijkheid tussen burgers (wel/geen EU onderdanen, illegalen, etc.) maakt het het perspectief van een tweederangs burgerschap natuurlijk niet draaglijker. Door Engbersen en anderen is genoegzaam onderzocht welke prijs de ‘minste’ burgers daarvoor moeten betalen. Veel minder duidelijk is overigens welke corrumperende uitwerking uit gaat van de uitbreiding en bestendiging van parallelle economie op de sociale verhoudingen. Een constituïtief beginsel voor de wereld waarin wij (willen) leven is dat we betrekkingen met (mede)burgers kunnen aangaan op basis van vrijheid en gelijkheid in een publieke ruimte. Dat liberaal democratische beginsel geldt voor iedereen of voor niemand. Een ander effect van de ongebreidelde drang tot migratiebeheersing is dat een groot aantal ingezetenen zonder burgerrechten alledaagse belangengeschillen en conflicten op een vreedzame manier moeten afwikkelen. Dat lukt niet. Dat is misschien goed voor de werkgelegenheid van politieambtenaren en inspecteurs van de arbeidsinspectie, maar voor de leefbaarheid is dat een ramp.


Opener grenzen zouden juist gepaard moeten gaan met een versterking van de positie van de laagstbetaalden, met bikkelharde ondergrenzen van inkomen en een gegarandeerd bestaansminimum – juist omdat onder hen de concurrentieslag om de schaarse zaken het hardst zal woeden. De ontwikkeling van solidariteit onder de werkenden is al moeilijk genoeg. Het invoegen van nog een (onder) categorie van burgers maakt dat schier onmogelijk.


Natuurlijk zal een eenzijdige verandering van de migratiepolitiek in Nederland het inmiddels zwaar gecorrumpeerde clandestiene grensverkeer richting Nederland op gang helpen. Opener grenzen in Europees verband zal het aantal nieuwkomers zeker doen toenemen, maar het is nog zeer de vraag of een positief migratiesaldo van honderd of tweehonderd duizend gehaald zal worden. Een aantal dat helemaal geen reden hoeft te zijn tot zorg, en al helemaal niet een reden voor een welvaartchaufinistische reflex.


Piet van der Lende (Bijstandbond Amsterdam)

Ed Hollants (Autonoom Centrum)
Jan Müter (Bureau Zwart?Werk)

Het boek ‘Grenzeloze solidariteit’


Nederland is immigratieland en een verzorgingsstaat en dat is een moeilijke combinatie. Solidariteit vereist immers afgrenzing. Daarom is het beleid er opgericht immigratie te stoppen. Maar het is de vraag of dat zinvol en wenselijk is. Het alternatief is de verzorgingsstaat aan te passen en migratiebestendig te maken.

Dit boek onderneemt een zoektocht naar de manieren waarop dat zou kunnen, zich baserend op theorie en praktijk. Aan de orde komen onder andere: privatisering van solidariteit, ongelijkheid in rechten, herwaardering van liefdadigheid en circulaire migratie.
Uiteindelijk worden vier mogelijke oplossingsrichtingen gegeven voor het dilemma van de grenzeloze solidariteit.

Auteurs : Paul de Beer, Dennis Broeders, Aafke Komter, Joanne van der Leun, Paul Minderhoud, Gijs van Oenen en Pieter Pekelharing.

Redactie: Han Entzinger en Jelle van der Meer.
Uitgeverij
De Balie, 2004
ISBN: 90 6617 303 3
13,50 euro