Voorlichtingsbijeenkomsten over de nieuwe bijstandswet van het komitee Amsterdam tegen verarming

Op 1 januari 1996 werd de Bijstandswet vervangen door de Algemene bijstandswet (met een kleine b), voluit Wet van 12 april 1995, houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet. De Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet bepaalde dat de Algemene Bijstandswet (met een grote B) werd ingetrokken. In de acht jaar dat de nieuwe wet van kracht is geweest is deze 61 keer gewijzigd. Op 1 januari 2004 is deze wet vervangen door de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375), onder verantwoordelijkheid van minister Aart Jan de Geus

In de WWB zijn de oude Algemene bijstandswet, de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (Wfa), de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) en het Besluit in- en doorstroombanen geïntegreerd.

n de afgelopen maanden hield het comité Amsterdam Tegen Verarming voorlichtingsbijeenkomsten over de nieuwe bijstandswet in verschillende buurten. Ik ben bij drie van die bijeenkomsten. De opkomst was wat wisselend, zo waren er in Osdorp ongeveer 40 mensen, in andere buurten was de opkomst minder. Wat mij vooral opviel was, dat sommige cliënten erg geëmotioneerd waren. Sommigen waren kwaad, omdat ze onredelijk door een ambtenaar van de sociale dienst behandeld werden, of omdat ze het initiatief namen om een eigen bedrijfje te beginnen en vervolgens geconfronteerd worden met zinloze bureaucratische procedures en regels, die ieder initiatief dood slaan. Bij andere cliënten overheerste de angst. Sommige cliënten zijn bang, omdat ze niet weten, wat er met hun uitkering gaat gebeuren. Gaat mijn uitkering omlaag, of blijf ik hetzelfde houden? Hoewel cliënten vaak niet bekend zijn met de nieuwe regels, begrijpt men wel, dat men steeds afhankelijker wordt van de goede wil van de behandelend ambtenaar. Bijstand is steeds minder een recht en steeds meer een gunst. Daar komen alle verhalen in de pers over frauderende uitkeringsgerechtigden dan nog bij, waarbij soms de indruk wordt gewekt, dat de meeste bijstandsgerechtigden eigenlijk maar fraudeurs zijn, die er met de pet naar gooien. Bestuurders reageren op die verhalen soms met de formulering van een nieuw flinks beleid; er komen meer sociale rechercheurs, de sociale dienst krijgt een poortwachtersfunctie waarbij de ambtenaren om nog meer papieren moeten vragen. En er worden meer strafkortingen uitgedeeld. (Het aantal strafkortingen verdubbeld momenteel ieder jaar).

Het is steeds meer een beleid, waarbij de uitkeringsgerechtigde de schuld krijgt van het feit, dat hij/zij afhankelijk is van een uitkering. Dan had je maar zus of zo moeten doen, voor mensen die willen, is er wel werk, etc. Een oudere mevrouw zei, dat ze het niet kon opbrengen om naar de sociale dienst te gaan. Ze had een nieuwe bril aangeschaft, en had daarvoor eigenlijk recht op bijzondere bijstand, maar ze had het niet aangevraagd. “ik heb de laatste tijd veel meegemaakt, en ik kan het nu niet meer opbrengen naar de sociale dienst te gaan. De behandeling van de ambtenaren, de formulieren die je moet invullen, de lange wachttijden, de emoties die met het aanvragen van zo’n uitkering gepaard gaan, ik doe het niet”.

Wanneer je politici vraagt, waarom ze dat nieuw flinkse beleid zo formuleren is het antwoord vaak, dat men de solidariteit tussen de werkenden en de uitkeringsgerechtigden in stand wil houden. Het moet de werkenden duidelijk zijn, dat alleen mensen die het “echt” nodig hebben een uitkering krijgen. Dan willen de werkenden nog wel premies betalen. Dit is een onzinnige redenering, omdat de solidariteit van werkenden met en het begrip voor uitkeringsgerechtigden veel groter is dan politici ons willen doen geloven. Dat blijkt telkens weer uit allerlei enquêtes. Bovendien heeft die medaille een keerzijde: uitkeringsgerechtigden voelen zich daardoor onder druk gezet, zonder dat ze instrumenten krijgen aangereikt om iets aan hun situatie te veranderen, en sommigen worden bang. “Mijn uitkering is geen zekerheid maar een gunst. Ik moet zo weinig mogelijk met die sociale dienst te maken hebben, want ze kunnen je maken en breken”. Dit plaatst het niet gebruik van de bijzondere bijstand in een ander daglicht. Meestal zeggen politici, dat de mensen er geen gebruik van maken, omdat het schort aan een goede voorlichting, en dat ze die zullen verbeteren. Nu is er met die voorlichting inderdaad het nodige mis, veel cliënten bleken op de voorlichtingsbijeenkomsten niet op de hoogte van de nieuwe regels, de sociale dienst heeft te weinig voorlichting gegeven. Maar de bijeenkomsten maken duidelijk, dat er ook andere redenen zijn voor het niet gebruiken van de bijzondere bijstand. Veel cliënten voelen zich onzeker door de verhalen over strengere controles, de behandeling van de ambtenaren en de steeds grotere betekenis van de individuele beoordeling. Zij gaan maar liever niet naar de sociale dienst als het niet perse nodig is.

Het grote belang van de voorlichtingsbijeenkomsten is m.i. dan ook tweeërlei: in de eerste plaats natuurlijk voorlichting over hoe de nieuwe bijstandswet feitelijk in elkaar zit. Voor de meeste cliënten verandert de hoogte van de uitkering niet. In de tweede plaats om duidelijk te maken, dat de solidariteit van de maatschappij, dus van mensen die geen uitkering hebben met uitkeringsgerechtigden groter is dan misschien uit de verhalen in de kranten en van politici lijkt. Het is nog steeds wel degelijk mogelijk via belangenorganisaties voor je rechten op te komen. Dat kan op politiek niveau, door te lobbyen voor je standpunten, maar je kunt er ook op individueel niveau gebruik van maken: als je je ondanks alle emoties probeert weerbaar op te stellen en steun zoekt bij anderen, is er wel degelijk het een en ander mogelijk. Als je niet alleen naar de sociale dienst durft, zijn er in veel buurten solidaire mensen, die daar spreekuren organiseren, die van alles willen uitzoeken, en die wel met je mee willen naar de sociale dienst.

Ik heb het in dit stukje vooral over de gevoelens van de clienten gehad. Maar hoe zit het met de ambtenaren? Ze worden gekonfronteerd met een steeds grotere werkdruk vanwege de bezuinigingen en de reorganisaties. Op het spreekuur worden ze gekonfronteerd met boze en/of wanhopige uitkeringsgerechtigden, waarvoor ze dikwijls niets kunnen doen. Uit de organisatie van de voorlichtingsbijeenkomsten blijkt, dat men op de rayonkantoren duidelijk niet gewend is, op wat grotere bijeenkomsten in buurten voorlichting te geven. Op een van de bijeenkomsten draaide de ambtenaar een verhaal af dat een copie kon zijn van de verhalen, die bestuurders bijna iedere dag op de televisie en in de kranten vertellen. De Melkertbanen zijn een godsgeschenk, alles wordt strenger, etc. Op een ander rayonkantoor wilde eerst niemand komen, men vond het een taak van het hoofdkantoor. Na veel heen en weer gebel lukte het toch, de toezegging te krijgen dat er iemand zou komen. De persoon in kwestie belde echter de dag van te voren af. Er kwam niemand van de sociale dienst. Op de bijeenkomst in Osdorp liep het beter, omdat de aanwezige ambtenaar meer begrip toonde voor de positie van de clienten.

Piet van der Lende.

P.S

Ik ben op drie bijeenkomsten geweest; in Osdorp, Oost en de staatsliedenbuurt. Wat kwam op die bijeenkomsten naar voren?

1. Een man, die als kleine zelfstandige wou beginnen, maar die bergens steun kreeg. De afdeling zelfstandigen van de sociale dienst doet pas wat, als je een kant en klaar plan inlevert, en de stew helpt bij het opstellen van het plan. Wat was dan het probleem? De man wou overleggen met de afdeling zelfstandigen, om te weten, waar hij op moest letten.

2. Een oudere vrouw, die in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand voor een bril, maar die dit niet wilde aanvragen. Ze kon het niet opbrengen naar de sociale dienst te gaan.

3. Een man, die een korting had gekregen wegens onvoldoende solliciteren.

5. Veel onduidelijkheid over de nieuwe bijstandswet. De mensen weten niet, waar ze aan toe zijn. De voorlichting van de sociale dienst in deze is onvoldoende, of bereikt de mensen niet.

6. Ambtenaren reageren heel verschillend op de voorlichtingsbijeenkomsten. De ambtenaren van Oost draaiden het bekende werk werk werk verhaal af; de Melkertbanen is een godsgeschenk, de mensen moeten zoveel mogelijk gestimuleerd worden betaald werk te aanvaarden, dat is het hoofddoel. Alles staat in dit teken. De bijstand is bedoeld als een tijdelijke voorziening. De ambtenaar in Osdorp was was soepeler. De ambtenaar van het rayonkantoor in de Staatsliedenbuurt kwam niet opdagen, hoewel toegezegd was dat er iemand zou komen.

7. De mensen zoeken naar mogelijkheden, om zelf initiatieven te nemen, maar stuiten op de bureaucratische regels, en op onwillige ambtenaren, die bureaucratische plannen bedenken. Men wil konkreet iets doen op buurtniveau. Met name de aanwezige vertegenwoordigers van kaderleden zeiden: wat kunnen wij op buurtniveau nou doen, om de inkomenspositie van de mensen te verbeteren. In dit verband waren er veel vragen over de nieuwe premieregelingen, over bijzondere bijstand en over de onkosten vergoeiding voor vrijwilligers. Bood dit misschien perpsectieven?.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *