De eerste bezuinigingen en de reacties van de werklozen comite’s.

Hoofdstuk 2 boek ‘Werklozen in aktie’, de geschiedenis van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992

Na de zomer van 1975 leken de werklozengroepen bezig te zijn met een beweging in opbouw. In het hele land werden trefcentra voor werklozen geopend. De groepen stelden offensieve eisen die ook resultaat leken te hebben. De verlenging van de WWV- termijn voor 55 jarigen was toegezegd, een verruiming van het begrip passende arbeid werd tegengehouden en het kabinet den Uyl gaf veel geld uit aan werkgelegenheidsprojecten oa in de bouw. Weliswaar te weinig naar de zin van de werklozencomite’s, maar een begin leek gemaakt. In de samenwerking met het NVV leek een doorbraak op komst. De NVV-jongeren streefden naar samenwerking, en de comite’s oefenden druk uit op de vakcentrales om op te komen voor de belangen van de werklozen.

Aan het eind van de zomer gingen de aktievoerders van het AWC weer vol goede moed van start. In een interview met de Waarheid zei Jan Mannaert, dat de werklozen in en uitliepen in het gebouw in de Lutmastraat.1 Bovendien vermeldde hij, dat er nieuwe initiatieven op stapel stonden. In augustus organiseerde het AWC een piket-line voor het gebouw van de Nederlandse Bank om de verlengingseis van de WWV weer aan de orde te stellen. Het vrouwenaktiecomite was in bespreking met het NVV- vrouwensecretariaat voor het opzetten van akties. En er werd druk gewerkt aan een nieuwe aktiekrant werklozen, die in september zou verschijnen. In 1975 werd het trefcentrum aan de Lutmastraat opgeknapt. De zaal waar het centrum gevestigd was, kon ongeveer 250 mensen bevatten. Met kleurige schotten konden er verschillende ruim- ten gemaakt worden, waarin oa een tafeltennistafel geplaatst werd. Ook waren er voldoende schaak- en damborden. Het was de bedoeling, dat er simultaanwedstrijden met beroemde schakers zouden worden georganiseerd. Het AWC had in de weken voor de opening met steunlijsten 2500 gulden opgehaald bij het ar- beidsbureau.

De feestelijke opening van het centrum was op 31 oktober 1975; Jan van Dijk, voorzitter van het AWC, hield een inleiding en bovendien was er een feestavond met muziek van de “Silver Tone Steel Band en de Limbo Dancers”. In de winter van 1975 draaide er in het trefcentrum een cultureel programma, met films, lezingen en diskussies. Zo was er op dinsdag 18 november 1975 een film over de krisis in de jaren ’30 in Zweden. En op donderdag 20 november was er een forum over de sociale voorzieningen met vertegenwoordigers van CPN, PvdA en sociale dienst.2 Maar ondertussen werden de eerste bezuinigingen aangekondigd.

De eerste bezuinigingen

Zoals we hiervoor al zagen, streefde het kabinet den Uyl naar een Keynesiaans stimuleringsbeleid als antwoord op de ekonomische problemen en de toenemende werkloosheid. Wel streefde de regering ernaar, dat de rendementen van de bedrijven zouden verbeteren; er moest financiele ruimte blijven voor het bedrijfsleven. Dit betekende, dat er in de ogen van de regering niet genoeg geld was en voor aanzienlijke loonsverhogingen en voor grotere uitgaven in de collectieve sector. Het stimule- ringsbeleid door vergroting van het overheidstekort zou gekombineerd moeten worden met loonmatiging in het bedrijfsleven. Om deze kombinatie mogelijk te maken nam het kabinet in 1973 na de oliecrisis al de eerste loonmaatregel, zodat werkgevers en werknemers niet over de lonen konden onderhandelen. De lonen werden gestabiliseerd op het peil van 30 november 1973 en pas in maart 1974 weer verhoogd. Verder nam de regering op 3 december 1975 een loonmatigingsbesluit, dat moest gelden voor de eerste helft van 1976. Weer konden werkgevers en werknemers niet over de lonen onderhandelen en werd de hoogte ervan in feite door de overheid vastgesteld. Het beleid van het kabinet riep van verschillende zijden negatieve reacties op. De werkgevers weigerden mee te werken, omdat zij niets zagen in een gerichte sturing van de investeringen en een vergroting van het overheidstekort. De vakbonden waren het niet eens met de loonmaatregel, die de werkenden minder loon zouden brengen. En de CPN, met in haar kielzog de werklozencomite’s voerden oppositie tegen den Uyl c.s, omdat zij vonden, dat zowel de lonen als de uitkeringen belangrijk moesten worden verhoogd, naast een uitbreiding van de collectieve sector.

ekonomisch model

Met name de ondernemers kregen voor hun standpunten steeds meer steun vanuit wetenschappelijke kringen van ekonomen. In het najaar van 1974 schreven de ekonomen Den Hartog en Tsjan een wetenschappelijk artikel, dat vervolgens de basis werd van de ekonomische modellen die het Centraal Planbureau (CPB) hanteerde. Het CPB produceerde ieder jaar de Macro Ekonomische Verkenningen, die een grote invloed uitoefenden op de diskussie over het te voeren overheidsbeleid. De expansie van de staatsuitgaven, zoals die onder het kabinet den Uyl werd nagestreefd, werd in het model ter diskussie gesteld. Niet werkgelegenheidsprogramma’s en stimulering van de bestedingen, maar investeringen in de marktsector en verlaging van loonkosten voor werkgevers moesten tot meer werkgelegenheid leiden. De analyse is te zien als een restauratie van wat wel het neo- klassieke denken in de ekonomie werd genoemd; in de visie van de neo-klassieken werd werkloosheid veroorzaakt door relatief te hoge lonen en loonmatiging zou de werkloosheid vanzelf wel weer oplossen.3 Let wel: de neoklassieken wilden dus en loonmatiging en beperking van de collectieve sector, waarbij de beslissingen over investeringen in belangrijke mate aan ondernemers zouden worden overgelaten.

Ik ga hier in het kort nader in op het arbeidsmarktbeleid dat Den Hartog en Tsjan voorstonden, omdat de komende jaren de verschillende regeringen de uitgangspunten van de neo-klassieken hebben overgenomen. In zijn algemeenheid kan men in het arbeidsmarktbeleid een onderscheid maken tussen werkgelegenheidsbeleid en arbeidsvoorzieningenbeleid. Actief werkgelegenheidsbeleid is gericht op beheersing van de vraagzijde van de arbeidsmarkt. Men richt zich dan op de creatie van voldoende en volwaardige arbeidsplaatsen. De overheid kent zichzelf een aktieve rol toe in de bestrijding van de werkloosheid. Passief en indirect werkgelegenheidsbeleid is gericht op variabelen als ekonomische groei, collectieve lastendruk, financieringstekort e.d. Actief werkgelegenheidsbeleid heeft betrekking op de grootschalige creatie van werkgelegenheid door aanvullende werken. Arbeidsvoorzieningen beleid is gericht op beheersing van de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Men richt zich dan op het zoeken van de juiste werkzoekende voor een aangemelde vacature. Ook dit beleid is indirect. Door bemiddeling, scholing, werkverruimende maatregelen en loonkostensubsidies worden werklozen begeleid naar de arbeidsmarkt. De neo-klassieken richten zich op een indirect en passief werkgelegenheidsbeleid en op het arbeidsvoorzieningenbeleid. Zij zoeken de oorzaak van de werkloosheid bij de werkloze. Die moet door omscholing klaargestoomd worden voor de arbeids- markt. Volgens de neo-klassieken is in een situatie van volledige concurrentie werkloosheid slechts tijdelijk en indien zij een hardnekkig karakter draagt is dit toe te schrijven aan “starheden” in de aanpassing van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, zoals “starre” lonen of sociale zekerheidsuitke- ringen waardoor mensen niet meer geprikkeld worden om snel een baan te accepteren en er van de grote werkloosheid in feite geen loondrukkende werking uitgaat. Deze ekonomische visie sluit aan bij een traditionele arbeidsmoraal: men moeten betaalde arbeid verrichten, om volwaardig mens te worden, met werklozen, die geen werk kunnen vinden is iets mis, of ze stellen te hoge eisen. En werklozen moeten terwille van de ekonomische groei en het “algemeen belang” onder druk gezet worden om allerlei baantjes te accepteren ook als ze dat niet willen. In dit kader past een verruiming van het begrip passende arbeid en het onder druk zetten van werklozen door verscherping van de controle op de sollicitatieplicht en het invoeren van strafkortingen. Dit ekonomisch model leverde in een gepopulariseerde vorm de ideologische munitie voor politici om bezuinigingen door te drukken.

In augustus 1975 drongen de inzichten van Den Hartog en Tsjan voor het eerst door in het regeringskamp: Duisenberg overviel de andere ministers met bezuinigingsvoorstellen. De regering stelde in het najaar van 1975 bij het aanbieden van de miljoenennota, dat zij van plan was een ingrijpende een procents- operatie door te voeren. Het plan hield in dat de overheid de druk van de collectieve lasten tot aan 1980 met niet meer dan gemiddeld 1% van het nationaal inkomen per jaar zou laten stijgen, in plaats van de 1,75% per jaar tot dan toe. Door de collectieve uitgaven af te remmen zou er meer geld beschikbaar komen voor het bedrijfsleven en er zou ook meer reeel besteedbaar loon zijn voor de werknemers. Op deze manier probeerde de regering verschillende dingen met elkaar te kombineren. Gedeeltelijk werd immers toegegeven aan de eis van de achterban van de vakbonden, dat er reeele loonsverhogingen zouden komen. Gedeeltelijk werd ook toegegeven aan de eisen van de werkgevers, dat de collectieve lastendruk omlaag moest; en ten slotte werd toch nog vastgehouden aan het principe, dat de overheid investeringen in bepaalde sectoren zou stimuleren.

Nieuwe diskussies over bezuinigingen

Hiervoor werd opgemerkt, dat de ekonomen Den Hartog en Tsjan met hun model op de lijn van de werkgevers zaten, en dat hun modellen werden toegepast door het CPB. Nadat de regering met de aankondiging van de een procents operatie was gekomen, publiceerde het CPB in februari 1976 op basis van dit model voorspellingen over de ekonomische ontwikkelingen in de Macro Ekonomische Verkenningen 1980 (MEV 1980). Op basis van het model dat door Den Hartog en Tsjan was ontwikkeld, zou bij een gelijk blijvend beleid, dus wanneer de overheidsuitgaven evenveel bleven stijgen als in de afgelopen jaren, de werkloosheid in 1980 zijn toegenomen tot 260.000 arbeidsjaren.4 De inflatie zou stijgen tot 8% en de reeel besteedbare lonen zouden ieder jaar met een half procent stijgen. De ekonomische adviseurs rekenden ook uit, wat de 1% operatie zou betekenen. Er traden dan nauwelijks veranderingen op in het beeld. Op basis van de berekeningen van het CPB was het duidelijk, dat er meer bezuinigingen moesten komen. Ondernemersorganisaties konstateerden, dat de MEV 1980 van het CPB op veel punten aansloot bij het ekonomisch herstelplan dat de ondernemersorganisaties onder de naam “Perspectief ’80” publiceerden. Daarvoor al, in januari 1976 publiceerden negen top-managers van grote bedrijven een “brandbrief”, om de regering verder onder druk te zetten. Zij verklaarden, dat de internationale concurrentiepositie van de bedrijven verslechterde en dat de lage rendementen het bedrijfsleven kwetsbaar maakten. Dit leidde er ook toe, dat de vernieuwing en uitbreiding van ondernemingen onder druk kwam te staan.5 De ondernemers pleitten in Perspectief ’80 en in de brandbrief voor het niet door laten gaan van de automatische prijscompensatie. De druk van de werkgevers en de ekonomen leek zijn uitwerking niet te missen. De FNV publiceerde in het voorjaar van 1976 een discussienota over het arbeidsvoorwaardenbeleid dat na het aflopen van de loonmaatregel gevoerd zou moeten worden. De FNV- leiding vroeg haar leden, of er wellicht met een onvolledige prijscompensatie genoegen genomen zou kunnen worden. Men wilde, gezien de slechte ekonomische situatie een deel van de loonstijging opofferen om de collectieve voorzieningen onaangetast te laten. Hiermee wilde leiding tegemoet komen aan de uitgangspunten van het kabinet met haar 1% operatie. (Dus een zij het beperkte stijging van de overheidsuitgaven en tegelijkertijd loonmatiging). De achterban van de FNV ging echter niet akkoord met de voorstellen van de leiding. Op de vakbondsvergaderingen die naar aanleiding van de discussienota werden gehouden wees men de voorstellen af. Handhaving van de volledige prijscompensatie, zo was de teneur. Later zullen we zien, dat leden van werklozencomite’s die tegelijkertijd lid waren van een vakbond een belangrijke rol hebben gespeeld bij het blijven strijden voor de automatische prijscompensatie.

Na de afwijzing door de leden ging de FNV-leiding uit een ander vaatje tappen. Toen in de zomer van 1976 minister Boersma de loonmaatregel voor de eerste helft van 1976 met een half jaar verlengde, zei Wim Kok dat de maatregel een breuk betekende tussen de vakbeweging en het kabinet. In juli 1976 verscheen de ombuigingsnota van de regering, die ook bekend staat als de een procentsnota van Duisenberg. De hierboven geschetste gang van zaken is te beschouwen als een voorspel op de stakingen om de prijscompensatie van januari 1977. Hierna ga ik echter eerst in op hoe de werklozengroepen op de diskussies over de bezuinigingen en de loonmaatregel reageerden.

werklozenorganisaties

De werklozenorganisaties reageerden in januari 1976 op de loonmaatregel met een communique, waarin de maatregel aan de kaak werd gesteld. Hun landelijke organisatie heette toen niet meer “Landelijk Aktiecomite Werklozen” maar “Landelijk Werklozen Comite”(LWC). Voorzitter was Ad Hendriks uit Deventer. De abonnementenadministratie werd bijgehouden door M Tomasini uit Deventer, en de redaktie van de aktiekrant was gevestigd in het nieuwe trefcentrum van het Amsterdamse Werklozen Comite in de Lutmastraat. In het communique en in artikelen in de aktiekrant legden de comite’s uit, waarom ze tegen de loon- maatregel waren. “De regeringsingreep richt zich tegen de vakbondsrechten en wordt door de werkers in de bedrijven terecht van de hand gewezen en is ook voor de werklozen onaanvaardbaar”. Men konstateerde dat er door de loonmaatregel geen volledige vergoeding zou komen voor de prijsstijgingen van het afgelopen jaar. (De loonmaatregel hield in een verhoging van drie tientjes van de brutolonen en enkele premieverlagingen voor ziektewet en WAO) De aktiekrant fulmineerde tegen de redenering, dat de loonmaatregel in het belang van werklozen zou zijn. De redenering van de regering was, dat door loonmatiging meer geld overbleef voor de uitkeringen en de collectieve voorzieningen, en dat daardoor de uitkeringen op peil konden blijven. De aktiekrant konstateerde echter, dat deze lippendienst aan de belangen van de werklozen in strijd was met de maatregelen die werkelijk genomen werden. Ook werklozen zouden er door de loonmaatregel fors op achteruit gaan. De voorstelling van zaken van de regering beschouwden de werklozencomite’s in feite als een poging verdeeldheid te zaaien onder werkenden en werklozen om toe te kunnen geven aan de eisen van de werkgevers. De aktiekrant konstateerde, dat werklozen door de loonmaatregel dubbel getroffen zouden worden.6 In een andere krant werd uitgelegd, in welk opzicht.7 Werkenden kregen drie tientjes bij hun brutoloon. WW-ers hadden echter maar 80% van het laatstverdiende loon, en zij kregen er dus minder dan drie tientjes bij. Bovendien hadden langdurig werklozen die van een bijstandsuitkering moesten leven geen profijt van de aangekondigde premieverlaging, die bedoeld was om de verliezen in koopkracht voor de minima op te vangen. De sociale diensten hadden volgens de aktiekrant geen richtlijnen gekregen deze premieverlaging om te zetten in een verhoging van de netto-uitkering aan langdurig werklozen. Verder was het zo, dat volgens vakbondsbestuurders onder druk van het personeel in verschillende bedrijven de loonmaatregel zou worden ontdoken door allerlei toeslagen te eisen op overwerk en dergelijke. De aktiekrant konstateerde, dat bij ontslag deze toeslagen volledig wegvielen en dat uitkeringsgerechtigden geen toeslagen konden krijgen.

Hier uitte zich voor het eerst een mechanisme, dat bij verdere loonmaatregelen nog terug zou komen; werkgevers en werknemers ontdoken de loonmaatregel door toeslagen in te voeren, iets waar uitkeringsgerechtigden niet van profiteerden. Het was een methode om de lonen te verhogen zonder dat de koppeling tussen lonen en uitkeringen formeel hoefde te worden afgeschaft. Ook de diskussie over de premieverlagingen zou in de toekomst terug komen. De werklozencomite’s hadden wel in de gaten, wat de werkelijke effecten waren van dergelijke “lastenverlichtingen”; veel uitkeringsgerechtigden, met name in de bijstand profiteerden hier helemaal niet van. In een van de aktiekranten werd verder kritiek geleverd op de stelling, dat de looningreep de werkgelegenheid zou verbeteren.8 “Al jaren wordt het matigen van uitkeringen, lonen en salarissen misbruikt als remedie tegen de werkloosheid. De loonmaatregelen hebben de ondernemers geen windeieren gelegd. Hun winsten stegen, maar tegelijkertijd schoot het aantal werklozen in Nederland schrikbarend omhoog”. Het bezuinigingsbeleid zou volgens de aktiekrant rampzalige gevolgen hebben, niet alleen voor de werklozen en hun gezinnen, maar ook voor de middenstand. De teruglopende koopkracht deed hun omzet dalen. Een beroep doen op de werkenden om financieel een stap terug te doen betekende volgens de aktiekrant, dat arbeiders verantwoordelijk werden gesteld voor de werkloosheid. Echter: “Niet zij, maar de grote concerns zijn de oorzaak, want de werkers en de werklozen hebben geen enkele beslissingsbevoegdheid over de produktie of hoe die tot stand komt. Nu de concerns met elkaar in conflict komen over afzetmarkten en grondstoffen, worden de werkenden en werklozen gebruikt om op te draaien voor de kosten van de onderlinge strijd tussen de grote ondernemers”. De aktiekrant werklozen konstateerde, dat werkenden en werklozen gezamenlijk moesten optrekken. Mensen met een minimuminkomen, en daarbij waren zowel werkenden als werklozen wier inkomen gekoppeld was aan de hoogte van de lonen, hadden door de loonmaatregel een inkomensachteruitgang te verwerken gekregen, terwijl er nog meer verslechteringen op komst waren. De aktiekrant werklozen wees erop, dat werkenden en werklozen niet van plan waren af te zien van de volledige prijscompensatie. Verklaringen van personeel in bedrijven en van werklozencomite’s hadden de regering duidelijk gemaakt dat de prijscompensatie moest blijven. Er werd in de aktiekrant verwezen naar de stakingen van de havenarbeiders en sleepbootbemanningen in Amsterdam en Rotterdam in juli en september 1976 die met hun akties hadden onderstreept dat de vakbeweging niet nog eens aan banden mocht worden gelegd met een loonwet.9

nieuwe akties van werklozen

De werklozencomite’s leverden niet alleen inhoudelijk kritiek op de loonmaatregelen, ze voerden ook akties om de maatregel tegen te gaan. In november 1975 startte men met de eis: “de uitkeringen moeten omhoog! 300 gulden voor alle werklozen als noodzakelijk noodverband nu!”.10 Een en ander was te beschouwen als een voortzetting van de aktie voor een duurtetoeslag van 200 gulden minimaal. Er werd gekonstateerd, dat er in 1975 53.000 handtekeningen werden aangeboden aan minister Boersma maar dat daarna nog duizenden handtekeningen waren opgehaald. De comite’s gingen door met het houden van picketlines bij arbeidsbureau’s en sociale diensten en ze voerden gesprekken met gemeentebesturen. In februari 1976 werden verder in verschillende plaatsen openbare vergaderingen georganiseerd. Het AWC startte de 300 gulden aktie met een manifestatie op 14-11-1975, waarbij handtekeningenlijsten werden uitgedeeld.11 In korte tijd kwamen 4000 handtekeningen binnen, vooral van Bouwbondsleden. Sprekers op de manifestatie waren Helen Cappelen, die inging op de achterstelling van de vrouw, en Bert Holvast, die de werkloosheid onder jongeren aan de orde stelde. Jan van Dijk riep op tot deelname aan de fl 300,- aktie. De manifestatie van het AWC werd afgesloten met cabaret en zang door het koor “Morgenrood”.12 Ook daarna stelde het AWC de 300 gulden eis aan de orde. Het comite had vanaf november 1975 iedere dinsdagmiddag een vergadering om het verloop van de aktie te bespreken.13 Op 26-11-1975 postten leden van het AWC voor het stadhuis om de handtekeningencampagne voor de fl 300,- eis meer bekendheid te geven. De CPN-fractie diende die dag een motie in bij de gemeenteraad, waarin de verschillende politieke partijen werd gevraagd, het AWC te steunen. In december was een volgende demonstratie. Onder het motto: “We heien de werkloosheid de grond in” trokken Amsterdamse werklozen naar het gebouw van de sociale dienst. 14 Men had in de demonstratie een tiental bakfietsen en een vrachtauto, waarop de eisen van het AWC stonden afgebeeld. De leuzen waren: “Niet dralen maar betalen!”, fl 300,- nu!” “WWV voor de gehuwde vrouw!” De directeur van de sociale dienst, de heer Schmall, kreeg 6000 handtekeningen ter ondersteuning van de 300 gulden eis en veel adhesieverklaringen van club- en buurthuizen overhandigd. Op de ochtend voor het vertrek brachten aktievoerende marokkanen een bezoek aan het AWC. Deze zogenaamde “182 kerkmarokkanen” hadden de Mozes en Aaronkerk bezet, omdat ze een verblijfsvergunning wilden. Toen de delegatie hoorde, dat het AWC naar het gebouw van de sociale dienst zou trekken, sloten de Marokkanen zich spontaan bij de aktie aan. Na het aanbieden van de handtekeningen aan de directeur van de sociale dienst werd ook aan de orde gesteld, dat de “illegalen” in de Mozes en Aaronkerk geen enkel inkomen hadden, en dat ze voor een bijstandsuitkering in aanmerking moesten komen.15 Ook andere comite’s maakten zich sterk voor de 300 gulden eis. De eis werd daarbij nadrukkelijk geplaatst in het kader van de strijd tegen de regering den Uyl en de loonmaatregelen, die deze regering had genomen. In pamfletten werd gesteld, dat de regering, onder druk van KVP- en AR ministers, de vakbeweging het mes op de keel zette door het nemen van de loonmaatregel. Het Werklozen Comite Arnhem organiseerde een demonstratie in december 1975 en deelde pamfletten en handtekeningenlijsten uit bij de fabriekspoort van ENKA.16 Op 21 januari werd in Geldrop door het werklozen comite een openbare vergadering gehouden, waar de 300 gulden eis ook centraal stond, en waar verder een eigen trefcentrum werd geeist. Ook hier werden handtekeningen opgehaald en overlegd aan de gemeente. Het werklozen comite Nijmegen bood op maandag 22 december 1975 in het kader van de 300 gulden eis 900 handtekeningen aan op het stadhuis. Het gemeentebestuur van Nijmegen stelde in een reactie, dat de gemeente gebonden was aan landelijke regelingen en dat men eigenhandig niets kon ondernemen. Het Nijmeegse comite was niet tevreden met deze reactie. Om het gemeentebestuur verder onder druk te zetten om meer te doen (bijvoorbeeld bij de regering aandringen op inwilliging van de 300 gulden eis) werd alle plaatselijke afdelingen van politieke partijen, en vakbonden gevraagd een adhesieverklaring naar het Nijmeegse comite te sturen. De lokale akties hadden vaak als resultaat dat de gemeentebesturen zich achter de eis van de werklozencomite’s stelden en dat zij meedeelden, te willen overgaan tot de uitbetaling van een duurtetoeslag. Het probleem was echter, zoals uit de reactie van het Nijmeegse gemeentebestuur al bleek, dat de regering haar toestemming moest geven voor inwilliging van de eis, de gemeenten mochten juridisch gezien ook toen al geen eigen inkomensbeleid voeren door het uitbetalen van een duurtetoeslag aan werklozen. De comite’s hebben vanaf 20 januari meer dan een jaar lang intensief campagne gevoerd voor een duurtetoeslag. De akties hebben als -beperkt- resultaat gehad, dat de regering den Uyl in november 1976 overging tot het uitbetalen van een duurtetoeslag van fl 60,-.

verlenging WWV

Ook in een ander opzicht had het onder druk zetten van de regering via de gemeenten resultaat. Boersma had op 22 februari 1975 gezegd, dat de WWV voor werklozen, ouder dan 57 en een half jaar verlengd zou worden tot 65 jaar. In afwachting van een definitieve regeling begonnen verschillende gemeenten alvast oudere werklozen in de WWV te houden. Maar er traden de nodige vertragingen op in de uitvoering van de maatregel. Pas op 1 september 1975 werd er in de Tweede kamer over gediskussieerd en in de pers aandacht aan besteed. In december 1975 was het definitieve wetsontwerp echter nog steeds niet ingediend. Het LWC schreef een brief aan de minister waarin uit- voering van de toezeggingen werd geeist. Maar een definitief wetsvoorstel bleef voorlopig uit. Op 24 maart 1976 hield de vaste kamercommissie van sociale zaken een hoorzitting. Ongeveer honderd vertegenwoordigers van aktiecomit‚’s gingen op die dag naar Den Haag om er bij de kamercommissie op aan te dringen, dat de verlenging van de WWV-termijn voor oudere werklozen nu eindelijk ingevoerd zou worden. Daarnaast maakten de comite’s duidelijk, dat zij bleven vasthouden aan de eis tot algemene verlenging van de WWV en verhoging van de WW- en WWV-uitkeringen. “Geen werklozen naar de bijstand zo blijft het parool!”. Verder legde een vertegenwoordigster van het comite werkloze vrouwen de eis van gelijkberechtiging van vrouwen op tafel.17 Enige tijd na de hoorzitting ging de Tweede Kamer toch akkoord met de verlenging van de WWV-termijn voor werklozen, ouder dan 57 1/2 jaar.18 Er werd op de bijeenkomst in de Tweede Kamer ook gediskus- sieerd over de subsidiering van sociaal-cultureel werk voor werklozen. Tot dan toe was die subsidiering vooral een taak van de lokale overheden; het rijk wilde die subsidiering echter coordineren en naar zich toe trekken. De aanwezige comite’s verklaarden hier geen bezwaar tegen te hebben, als het rijk de regels maar niet zou verslechteren, met name waar het ging om de subsidiering van werklozencentra. Er werd verder aangedrongen op het snel beschikbaar stellen van dergelijke centra.19 Er werd in 1976 ook weer een werklozencongres gehouden. Op het congres werd een nieuwe resolutie aangenomen, waarin de solidariteit tussen de werklozen en andere groepen nog eens werd benadrukt.20 “Wij roepen de werklozen in Nederland op elke aanval op de verworven rechten af te slaan en geen enkele korting op de uitkeringen onder welk mom dan ook uitgevoerd toe te staan. Stop de aanval op de werklozen!. Wij zijn van mening dat de verbeteringen van de uitkeringen niet ten laste mogen gaan van de broodnodige verbeteringen van het levenspeil van de nog werkende mensen. Het uitspelen van de belangen van de werklozen tegenover die van de werkenden is onduldbaar, ook dient onmiddellijk alle propaganda die de schuld van de werkloosheid wil leggen bij de buitenlandse arbeiders en de Surinamers gestaakt te worden. Aan dergelijke vormen van racisme hebben de werklozen geen enkele boodschap”. Daarna werden nog eens de eisen herhaald, die op het eerste congres van het LAW al waren aangenomen.

akties jongeren

Hiervoor heb ik er al op gewezen, dat de NVV-jongeren besloten te gaan samenwerken met de werklozen comite’s. In de winter van 1975 op 1976 werden in het hele land schoolverlaterscomite’s opgericht, die allerlei bijeenkomsten organiseerden.21 De bijeenkomsten werden opgezet door een samenwerkingsverband van vakbondsjongeren, het ANJV, de werklozen aktie comite’s, organisaties van Surinamers en vormingscentra. In Amsterdam werd bijvoorbeeld een manifestatie gehouden op 7 februari 1976 als protest tegen de jeugdwerkloosheid in Noord- Holland. Daaraan voorafgaand demonstreerden enige honderden jongeren in het centrum van Amsterdam. De jongeren trokken van de Westerkerk naar Krasnapolsky, waar de manifestatie werd gehouden.22 In Rotterdam waren er in deze tijd ongeveer 150 jongeren op een vergadering aanwezig.23 Verder waren er manifestaties in Zuid Limburg, Groningen, Brabant en Zuid- Holland. “Samen sterk voor poen en werk” was de centrale leus. De jongeren eisten oa een volwaardige WW-uitkering (dus geen bijstand), geen bezuinigingen op onderwijs en medische voorzieningen en geen bezuinigingen op club- en buurthuis werk. Daarnaast wilde men een minimumloon vanaf 18 jaar. Verder nam men ook de eisen van de werklozencomite’s over, dus volledige prijscompensatie en verlenging en verhoging van de werkloos- heidsuitkeringen. In de aktiekrant werklozen werd nog eens duidelijk aangegeven, dat men niet wilde inleveren.24 “Wij offers brengen? Toe nou, om onze centen naar het ondernemers- dom te zien gaan zeker. En dat terwijl een kind weet dat de ondernemers hun winsten nog meer zullen gebruiken voor het opkopen en vervolgens sluiten van de firma van hun naaste concurrent, of voor het verplaatsen van de bedrijven naar het buitenland”. De lokale bijeenkomsten van de jongeren waren een voorbereiding voor een landelijke manifestatie, die in het voorjaar van 1976 werd gehouden. Ter gelegenheid van die landelijke aktie bracht het LWC een aktiekrant schoolverlaters uit.25 In de krant werd gekonstateerd, dat van de 190.000 schoolverlaters er in 1976 50.000 waarschijnlijk niet aan het werk zouden komen. In 1975 was volgens de aktiekrant van de jongeren tot 25 jaar bijna 8% zonder werk; in bepaalde gebieden nam de jeugdwerkloosheid nog ernstiger vormen aan. Staatssecretaris de Jong van Onderwijs had in een televisieprogramma gezegd, dat de jongeren dan maar wat langer op school moesten blijven. De aktiekrant was boos over die opmerking. Zo’n opmerking, terwijl er studentenstops waren in verschillende studierichtingen, er bezuinigingen waren op het technisch onderwijs en stops aan de lerarenopleidingen. De aktiekrant concludeerde dan ook: “studentenstop is scholierenstrop!”. Jongeren gingen ook aktie voeren tegen de zogenaamde “zakgeld- praktijken”. In januari 1974 was de wet op het minimumjeugd- loon ingevoerd. De werkgevers probeerden deze wet echter te ontduiken. Ze weigerden het cao-loon te betalen aan jongeren in het leerlingenstelsel, omdat die jongeren nog niet volledig mee konden draaien in de produktie. De wet bood mogelijkheden voor deze ontduiking.26 Jongeren gingen aktie voeren tegen deze “zakgeldpraktijken”, ze wilden dat de gaten in de wet zouden worden gedicht.27 Op zaterdag 6 november 1976 waren er 2000 jongeren op een manifestatie tegen “zakgeldpraktijken” in Hengelo. Minister Boersma verklaarde, de praktijken een “grensgeval” te vinden.28

Andere akties van het AWC

De werklozencomit‚’s gingen zich ook steeds meer op de lokale politiek richten om hun eisen gerealiseerd te krijgen. Dat zagen we al bij de fl 300,- aktie. Het AWC ontplooide in 1976 op lokaal niveau diverse aktiviteiten. Op 20 januari 1976 werd in het trefcentrum van het AWC een groot feest gehouden, dat een nieuw tijdperk moest inluiden. Het AWC had namelijk naast de ruimte die ze al gebruikte, ook een aktiviteitensubsidie van de gemeente gekregen. Tijdens het feest werden films gedraaid, er was een schaaksimultaanwedstrijd, en ook andere gezelschapsspelen zorgden voor verdere ontspanning.29 Het AWC bracht in 1976 een krant uit in een oplage van 2000 stuks. De oplage was spoedig uitverkocht, en er moest een tweede druk komen. In 1976 werd er door het AWC ook een financiele campag- ne gevoerd. In enkele weken tijd werd er 2700 gulden opgehaald bij het arbeidsbureau en bij bouw-objecten. Een van de aktie- kranten vermeldde, dat Amsterdam een goed draaiend trefcentrum had, waar op dinsdag en donderdag altijd wat te doen was en waar kan worden gepraat en gekaart.30 Het AWC besteedde ook aandacht aan de specifieke problemen in verschillende buurten van Amsterdam. Zo organiseerde het comite in samenwerking met de Beheersraad, de jongerenorganisatie ANJV en de Turkse organisatie DJF een avond over werkloosheid in de Bijlmer in het Bijlmerhuis. De motto’s van deze avond waren: “geen dis- criminatie van kleurlingen op het arbeidsbureau, versnelde en volledige afbouw van het Academisch Medisch Centrum en WWV ook voor schoolverlaters en de gehuwde vrouwen.31 Ook in de Indische buurt waren er bijeenkomsten. Zo organiseerde het AWC in maart 1976 daar een openbare vergadering. Samen met het comite voor herstel van de buurt werd op de bijeenkomst aangetoond, dat er in de door verval getroffen buurt voldoende werk te doen was. Na de bijeenkomst werd een manifest verspreid, waarin er op werd gewezen, dat tienduizenden bouwvakkers werkloos waren, terwijl er in de Indische buurt tot 1980 slechts bouwplannen bestonden voor 250 woningen. Ook op andere wijze verbond het AWC het achterstallig onderhoud aan woningen en het achterblijven van de stadsvernieuwing met werkgelegenheidseisen. Aktivisten van het comite maakten borden met de tekst “Hier wacht werk op uitvoering”.32 De borden werden opgehangen aan slooprijpe gebouwen en neergezet in bouwrijpe open gaten.

Verder ondersteunden de werklozen de eisen tegen de huurverhoging van 1976 met de leus “Recht op werk, recht op betaalbare woningen”. Het AWC startte daarbij een kaartenaktie. Werklozen konden een kaart naar de wethouder van sociale zaken Kuyper sturen, met de eis van kompensatie voor de stijgende woonlasten. “Dus: geef nu alle Amsterdamse werklozen een voorschot op de prijscompensatie ter grootte van minimaal de stijging van de woonkosten”. Volgens de aktiekrant lagen er binnen drie dagen 1000 briefkaarten op het bureau van de wethouder. Verder gingen er steunlijsten rond om financien voor de aktiviteiten van het AWC bijeen te brengen. Het comite voerde verder aktie voor de eis:”volledige prijs- compensatie ook voor de werklozen!”.33 Voor deze eis plaatsten meer dan 7000 Amsterdamse werklozen hun handtekening op lijsten in de hal van het arbeidsbureau en tegelijkertijd gaven bezoekers van het arbeidsbureau meer dan 4000 gulden aan bijdragen, ter ondersteuning van de eis. Het AWC bracht daarop samen met het werklozencomite uit den Haag de handtekeningen naar de regering. De aktievoerders hadden boodschappenkarretjes bij zich waarop de prijsstijgingen van de afgelopen tijd stonden aangegeven. In een brief aan Boersma schreven de Amsterdamse werklozen, dat mensen in de bijstand niet profiteerden van de premieverlichting die in het kader van de loonmaatregel was ingevoerd. Op 16 september 1976 hield het AWC een bijeenkomst, waar ongeveer 40 mensen aanwezig waren.34 Jan van Dijk, voorzitter van het AWC verklaarde, dat de successen in het verleden een aansporing waren voor nieuwe initiatieven. Namens het comite Vrouwen Tegen Prijsverhogingen zette mevrouw Pereman uiteen dat de vrouwen hun aktie voerden als bijdrage tot de strijd op de bedrijven voor een volledige prijscompensatie. F van der laan sprak namens de ABOP-Amsterdam over de ernstige toestand mbt de werkgelegenheid voor het onderwijzend personeel. Verder werd er een comite van werkloze leerkrachten gevormd, dat besloot te gaan samenwerken met het werklozen comite. Aan het slot van de avond sprak Harry Kuijpers over de akties van het comite schoolverlaters. Dat comite was na de akties in het voorjaar ook in de zomer van 1976 aktief geweest. Schoolverlaters, georganiseerd in het AWC lieten zich op 1 juli demonstratief inschrijven op het hoofdkantoor van de sociale dienst aan de Vlaardingenlaan. De aktie werd gevoerd om erop te wijzen, dat er bij de voorlichting van de sociale dienst het nodige mis was; de voorlichting over de rechten van schoolverlaters was volgens de aktievoerders gebrekkig en tegenstrijdig.

uitzendbureau’s

Aan het eind van 1976 ging het AWC aktie voeren tegen de reclamecampagnes van uitzendbureau’s.35 In de Oude Lelie- straat 8 was het uitzendbureau “ARTO” gevestigd. Dit bureau voerde volgens het AWC een misselijk makende reclamecampagne. In alle Amsterdamse trams en bussen was een reclamebord bevestigd met de tekst: “Of wij een baan hebben?. Je had gisteren al kunnen komen!”. Dergelijke leuzen pasten volgens het AWC in het rechtse offensief dat werkloosheid in de eerste plaats de schuld van de werklozen zelf was. Op 22 oktober 1976 vervoeg- den enkele werklozen zich bij het uitzendbureau: of er werk was. De eerste twee kregen te horen, dat er niks was, een vrouw kreeg wel werk, maar dat betaalde slecht. De vertegenwoordiger van het uitzendbureau zei, dat hij hoopte, dat de betreffende vrouw het tot februari zou volhouden, want andere uitzendkrachten met dat baantje waren ook al vlug vertrokken. Een andere werkloze vrouw kreeg echter weer te horen, dat er geen werk was en dat ze op een wachtlijst geplaatst zou worden. Ook andere vrouwen, die op 1 november op het uitzendbureau kwamen voor een administratieve baan, werd meegedeeld, dat er die dag alleen drie vacatures waren voor gediplomeerd medisch personeel. Het AWC concludeerde dan ook, dat de reclamecampagne alleen bedoeld was, de naam van het uitzendbureau meer bekendheid te geven bij de werkgevers, om zo vacatures binnen te halen en werk voor uitzendkrachten te krijgen. Maar dit dan wel ten koste van de werklozen, die via een dure reclamecampagne in een kwaad daglicht werden gesteld. Het AWC organiseerde vervolgens een picket-line bij ARTO, omdat men wilde dat de reclamecampagne stopgezet zou worden. Men ging bij de ingang van het ARTO-kantoor staan met borden waarop stond: “Ik was gisteren hier, maar er was geen werk”. Dit was een reactie op de leus van het uitzendbureau: “Of wij een baan hebben? Je had gisteren al kunnen komen”. Tevens schreef men brieven naar de wethouder van sociale zaken en de reclamecode- commissie, met het argument, dat er valse verwachtingen werden gewekt. Het uitzendbureau ging uit van de stelling: er is genoeg werk als je maar wilt werken. De werklozen werden daarbij beschouwd als profiteur van de sociale voorzieningen. Dat was volgens het AWC misbruik maken van de werkloosheid door het wekken van valse verwachtingen. Werklozen sollici- teerden ook bij andere uitzendbureau’s. Bij Elite in de Ferdinand Bolstraat ontdekte men, dat het uitzendbureau adverteerde met vacatures die er niet waren. Verder werden in de aktiekrant werklozen de praktijken van het bedrijf van Gend en Loos aan de kaak gesteld. Dit bedrijf adverteerde met de leus:” werken is beter dan WW, uw recht op werk vindt u bij ons!”. Het bleek werk in ploegendienst te zijn, tegen een basisloon op het minimumniveau. Bovendien kwam je niet in dienst bij van Gend en Loos, maar bij een koppelbaas, zonder een vast kontrakt. De koppelbaas had een BV die luisterde naar de naam “De Toekomst”. in deze tijd hadden de aktivisten van het AWC het gevoel, dat er een hetze tegen werklozen was opgezet; zo maakte Vader Abraham een lied, “het leger der werklozen” waarin deze werden voorgesteld als luie profiteurs, die de hele dag zaten te niksen. In muziekprogramma’s werd dit lied veelvuldig gedraaid.36 Twee Groningers maakten daarop een soort tegen- lied.

“Er is voor werklozen eindelijk iets gebeurd, zij zijn door vader Abraham door het slijk gesleurd. En door hun leed verdient hij poen aan heel dat grote legioen. Abraham dus maar niet meer getreurd, want morgen ben jij misschien al aan de beurt.”

In deze tijd verschenen er ook verhalen in de pers over de vele werklozen, die er zwart bij zouden werken. Ook regeringswoordvoerders, zoals minister Wiegel, lieten zich herhaalde malen in negatieve bewoordingen uit over de werklozen.37 In de loop van 1976 werden er in vele plaatsen lokale aktiviteiten ontplooid, teveel om allemaal te behandelen. Er komen in de aktiekrant akties ter sprake in Deventer, Arnhem, Leeuwarden, Helmond, Sneek, Heerlen, Utrecht, Groningen, Leiden, Delft, Nijmegen, Delfzijl, Geldrop en Roermond.38 Het Werklozen Aktie Comite Roermond verspreidde een manifest, waarin werd gesteld “dat het vele zwarte goud dat bij ons in de bodem zit gebruikt moet worden om de werkgelegenheid in deze provincie daadwerkelijk te bevorderen”. In het manifest werd gekonstateerd, dat door de mijnsluitingen 65.000 mensen hun arbeidsplaats hadden verloren, en dat er sindsdien geen hand werd uitgestoken om de werkgelegenheid drastisch uit te breiden.